Showing posts with label Vlaamse komedie. Show all posts
Showing posts with label Vlaamse komedie. Show all posts

Wednesday, 22 July 2009

De Nationale Feestdag van België: Is er iets te vieren?

Het is een heikele kwestie en Vlamingen blijven erover praten: Walen hebben ons verfranst, willen ons nog altijd verfransen en zullen het blijven willen want ze willen geen Nederlands leren. Maar hier is de vraag is dat weldegelijk zo, of is dat een aangepraat probleem? Persoonlijk heb ik vijf jaar gewerkt in de professionele trainigssector Nederlands. Ik gaf les Nederlands aan bedienden, privé en klassikaal (met zes personen), naar de wensen van het bewuste bedrijf. Er was daar absoluut geen onwil te bespeuren om Nederlands te leren. Verre van. Slechte niveaus kwamen wel eens voor, maar in het algemeen konden Franstaligen zich zeker behelpen, zoals een Vlaming zich kan behelpen in het Frans. Maar wat maakt hier het verschil?

Naar mijn mening ligt het negatieve beeld dat Vlamingen van Walen hebben (arrogant, wil geen Nederlands leren want vindt dat Frans beter is en vertikt het dus van ook maar één ding in het Nederlands te doen) aan de perceptie alleen. Een perceptie die de media dankbaar voedt en die de politiek ook gebruikt en daardoor ook mede nog erger maakt. Als we naar de geschiedenis van Vlaanderen (hier: het Nederlandssprekend deel van België) kijken, dan zien we dat er al in 1876 opnieuw werd les gegeven in het Nederlands, al was dat dan gemengd met Frans. Al moeten we erbij zeggen: alleen in het Lager Onderwijs. De hele cyclus in het onderwijs werd afgerond met de NederIandstalige Rijksuniversiteit Gent in 1930 en het eenparig Nederlandstalig secundair onderwijs in 1932. In 1938 kwam daar ook het leger bij. (bron: Wikipedia) Wat maakt Vlamingen dan zo paranoia over de Franssprekende Walen? Uiteindelijk hebben we ondertussen al meer dan 70 jaar ons onderwijs en sinds 1993 hebben we zelfs een eigen staat. We hebben dus geen enkele reden om te klagen, want we hebben toch alles?

Waar is het misgegaan met het Nederlands? Vlamingen spraken sinds mensenheugenis Nederlands, waarom begonnen dan vooral de Vlaamse burgerij en adel opeens Frans te spreken zodanig dat alles (rechtspraak, administratie, onderwijs) verfranst werd? Het is een vreemd fenomeen, want de Engelse adel en burgerij spraken (naast Frans als tweede taal) Engels, de Duitse Duits, de Nederlandse Nederlands (“bekakt” Den Haags), de Russische Russisch, de Griekse Grieks. Maar de Vlaamse adel en burgerij spraken Frans en stuurden zelfs hun kinderen in het Frans naar school waardoor ze, dan wel totaal verfransten en zelfs geen Nederlands meer leerden aan hun kinderen, dan wel Nederlands spraken met hun pachters en als het niet anders kon. Nederlands stond niet goed, in tegenstelling tot in Nederland. Een prangend voorbeeld is de film Daens waarin één van de industriële vrienden van de Aalstse Franstalige katholieke politicus Woeste, een Nederlandse vrouw heeft. Zij praat consequent Nederlands tegen haar zoon, terwijl zijn vader (haar echtgenoot) er consequent Frans tegen spreekt. Ze spreekt zelf ook Frans, maar spreekt vaak Nederlands in tegenstelling tot de anderen die zweren bij Frans, wat duidelijk niet nodig is, want velen onder hen spreken Nederlands en zijn oorspronkelijk Vlamingen. Niet in het minst haar echtgenoot zelf. Wat bewoog Vlamingen ertoe Frans te spreken, zelfs thuis, en verfransing in hun Nederlandstalig deel van België toe te laten? Het is moeilijk te geloven dat Walen opeens hebben beslist om alles te verfransen en dat Vlamingen dat maar hebben laten gebeuren. Zoals altijd moet dit een geleidelijk proces geweest zijn, dat zijn wortels heeft in de geschiedenis zelf en waar eigenlijk niemand (Vlamingen noch Walen), of toch iedereen (Vlamingen en Walen), écht schuld aan heeft.

Als we kijken naar de geschiedenis van De Nederlanden dan zien we dat het concept “De Nederlanden” vooral is neergezet over twee eeuwen door de Bourgondiërs die er het centrum van handel en luxe van maakten. Ze maakten de Nederlanden een rijk tussen het rijk, met veel privileges en waarop iedereen jaloers was. Het kan niet verbazen dat toen al de administratie in het Frans te doen was, vermits de Bourgondiërs Fransen waren en het grootste deel van dat rijk afhing van Frankrijk. Maar toch was er een bloeiende Nederlandse literatuur in de Rederijkerskamers over heel het grondgebied. Die symbiose van onafhankelijkheid van heerschappij veranderde toen de Oostenrijkse keizer Jozef II zijn neus begon te steken in het onafhankelijk bestuur van De (Oostenrijkse) Nederlanden. Jozef II werd satirisch “de koster” genoemd omdat hij zich overal mee bemoeide en een centraliserende politiek voerde. Ongetwijfeld uit Voltairiaanse despotische ideeën, maar bij De Nederlanden (die gewoon waren aan hun eigen onafhankelijkheid en die hun hertog bij zijn Blijde Inkomst eerder “aanvaardden” i.p.v. dat de hertog zelf over hen heerste) viel dat niet in goede aarde. Oostenrijk voerde zijn administratie in het Frans (stammend van de Bourgondiërs) en die praktijk ging door onder de kortstondige Franse bezetting. Maar hier stak een ander probleem de kop op.

De Franse bezetting van 1745 tot 1748, die zijn wortels had in de Oostenrijkse Successieoorlog, bracht nog een “bedreiging” voor het Nederlands. De Roccocco-periode is een Franse periode bij uitstek. De periode waarin Frankrijk nog groot was, waarin Louis XIV nog vers in het geheugen zat, en een periode van decadentie aan het Franse hof, een periode waarin de autoriteit van de Franse mode zich zelfs doorzette tot in England en heel Europa. Rousseau had in 1772 in zijn Considérations sur le Gouvernement de Pologne geschreven:
“De nationale gebruiken geven vorm aan het ‘genie’, het karakter, de eigen aard en zeden van een volk, ze maken dat het dát volk is en geen ander en ze inspireren het tot een vurige vaderlandsliefde, die gebaseerd is op onuitroeibare gewoonten […] Een grote natie heeft ongetwijfeld veel van deze eigen burgerlijke en huiselijke gebruiken, die allicht iedere dag meer ontaarden door de algemene strekking in Europa om de modes en de zeden van de Fransen over te nemen. Behoud en herstel de oude gebruiken, voer passende, nieuwe gebruiken in die aan de Polen eigen zijn.”
Het is opvallend dat een Fransman opmerkt dat er in die periode een algemene tendens was om Franse gebruiken over te nemen! Zo ook in Vlaanderen zo blijkt, want in 1788 publiceert ene J.B.C. Verlooy, een leidend figuur van de Vlaamse Beweging, uit onvrede met de politiek van de Oostenrijkse keizer en in een Vlaanderen vol politiek tumult, zijn essay Verhandeling op d’on[m]acht der Moederlyke Taal in de Nederlanden. In dit essay klaagt hij aan dat er geen uniforme spelling is, maar vooral dat er een minachting schijnt te zijn van Nederlandssprekenden voor hun eigen taal. Hij schrijft dat sommige Brusselaars in gezelschap of op straat hun moedertaal slecht spreken om de indruk te wekken dat ze in het Frans opgevoed zijn en dat “[men] onze joeffrouwen nooit met eenen vlaemschen kerkboek [zal] zien: en gebeurde dit, het schaemrood zou haest daer zijn.” Alles van cultuur was in het Frans te doen en Frans was een statussymbool. De Verlichting trok bovendien nog eens een parallel met de Romeinse periode waarvan men de neergang toeschreef aan het dwepen met de Griekse cultuur. Om samen te vatten: de opvatting was dat een volk dat zijn eigen cultuur verloochent en een andere in de plaats probeert te brengen, in geen van beiden meer uitblinkt en geen van beiden meer begrijpt en als dusdanig als “volk” niet meer bestaat. Alzo zag Verlooy de Vlamingen afglijden naar slechte morele diepten omdat ze naar het Frans gericht waren. Toen al…

Verlooy klaagt weliswaar aan dat de kinderen in het lager onderwijs Frans leerden, maar alleen omdat dat hun kennis van het Nederlands als moedertaal in de weg staat. Hij argumenteert verder nog voor een Nederlands toneelleven met oog voor wat er “bij de Hollanders” te vinden is en ook bij de Fransen en Duitsers, via vertaling welteverstaan.

Het is opvallend dat al vóór de onafhankelijkheid van België er een probleem lijkt te zijn. De verfransing van Vlaanderen is dus inderdaad een geleidelijke evolutie geweest die Vlamingen zelf in de hand hebben gewerkt. Dit wordt niet in het minst bewezen door Verlooy in zijn essay: niemand verplichtte de Brusselaars van Frans te spreken op straat, Jozef II verbood geen Nederlandstalige toneelvoorstellingen, niemand verbood Nederlandse kerkboeken, maar de mode was Frans. Het zielige aan de hele zaak is dat Nederlandssprekenden er zelf voor kozen dat Nederlands minderwaardig was en Frans beter was: Franse literatuur was beter, Frans toneel was beter, Franse filosofie was beter, Franse mode was beter, Franse architectuur was beter. Door het dwepen met Franse cultuur begon net de klasse die voor cultuur moet zorgen, die Austens en Byrons produceert – mensen die tijd en geld hebben om zich te wijden aan kunsten, of te investeren erin -, de verfransen en daardoor produceerde diezelfde klasse geen grote schrijvers of dichters. Terwijl we in England tijdens de jaren 1800 op zijn minst tellen: Jane Austen, Sir Walter Scott, Alfred Lord Tennyson, Lord Byron, Robert Burns, Percy Shelley, William Wordsworth, Samuel Coleridge, Charles Dickens, Mary Louisa Alcott, de zussen Brontë, William Makepiece Thackeray, Thomas Hardy, George Elliot, Mark Twain, Oscar Wilde, Rudyard Kipling (19); terwijl we in het Frans gedurende dezelfde periode tellen: François-René de Chateaubriand, Victor Hugo, Alexandre Dumas père, Prosper Mérimée, George Sand, Charles Baudelaire, Gustave Flaubert, Louis Ménard, Alexandre Dumas fils, Charles De Coster, Jules Verne, Emile Zola, Paul Verlaine, Guy de Maupassant, Arthur Rimbaud, (Maurice Maeterlinck,) Gaston Leroux, Guillaume Appolinaire (17-18). In Vlaanderen tellen we: Hendrik Conscience, (Pieter Frans van Kerckhoven,) Guido Gezelle, Virginie Loveling, Leonard Buyst, Albrecht Rodenbach, Cyriel Buysse, Stijn Streuvels, Karel van de Woestijne (9). Er is duidelijk een hemelsbreed verschil. Volgens demografische gegevens zou dit hoger moeten geweest zijn.

Nadat de Vlamingen zich vrolijk hadden gericht op het Frans, kwam de kroon op het werk: een politieke agenda:

Na de Belgische Omwenteling en de Nederlandse schaamteloze onderdrukking van de Franssprekenden in Wallonië was er een duidelijk plan om een hereniging met Nederland permanent de kop in te drukken. Charles Rogier zei het zo in 1832:

“Les premiers principes d'une bonne administration sont basés sur l'emploi exclusif d'une langue, et il est évident que la seule langue des Belges doit être le français. Pour arriver à ce résultat, il est nécessaire que toutes les fonctions civiles et militaires soient confiées à des Wallons et à des Luxembourgeois; de cette manière, les Flamands, privés temporairement des avantages attachés à ces emplois, seront contraints d'apprendre le français, et l'on détruira ainsi peu à peu l'élément germanique en Belgique.”

“Een van de eerste principes van een goede administratie is gebaseerd op het eenparig gebruik van één taal, en het is duidelijk dat alleen het Frans de taal der Belgen kan zijn. Om dit resultaat te bereiken is het nodig alle ambtelijke en militaire functies alleen toe te wijzen aan Walen en Luxemburgers; zo zullen de Vlamingen, tijdelijk aan de voordelen van deze beroepen onttrokken, verplicht zijn om Frans te leren, en zo zal beetje bij beetje het Germaanse element van België verdwijnen.”

Er was weldegelijk een politieke agenda om het Frans op te waarderen en het Nederlands langzaam te laten wegzakken, maar we moeten dit wel in een context zien. Hier is een land dat zich eenzijdig heeft onafhankelijk verklaard, en dat nog fragiel is. Bovendien aast de Nederlandse koning nog altijd op België, al ware het om de ontluikende industrie en de natuurlijke delfstoffen in het zuiden, en dan is er de Nederlandstalige Vlaamse minderheid die er geen geheim van maakt zich te willen aanhechten bij Nederland (Vlaamse Beweging). De Vlamingen waren dus een politiek gevaar dat zich tegen de meerderheid kon keren in geval de Nederlandse koning overging tot een aanval (waar zeer zeker plannen voor ware. Bron: Knack). Dus elke Vlaming was verdacht en een mogelijk lid van de Vlaamse Beweging. Daarom besloot de meerderheid (dus de Franstalige meerderheid, want dat deel van de Belgische bevolking was groter) de minderheid wat “manieren” bij te brengen. Het is schrijnend van te weten dat er alleen geïnvesteerd werd in Wallonië en dat Vlaanderen wegzakte in een cultuurloos dal van landbouw en hongersnood. Maar, waar waren dan die paar Vlamingen die behoorden tot de intellectuele klasse? De rijken in Vlaanderen, die ook intellectuelen waren en die ongetwijfeld ook bepaalde functies bekleedden, moeten Nederlands gesproken hebben. Maar zij deden niks. Nochtans werd er gelobbyd want in 1872 werd het Nederlands opnieuw toegelaten in het secundair onderwijs. Blijft wel de vraag waarom de eerste school pas haar deuren opende in 1889! (bron wikipedia) Het houdt geen steek dat de Vlaamse elite die zulke functies bekleedde, zichzelf moest verfransen, permanent. Niets belette hen van in het Frans naar school te gaan (opgelegd door de staat), in het Frans te werken (opgelegd door de staat) en hun administratie in het Frans te doen, maar daarnaast ook Nederlands te spreken en Nederlandse kunsten te publiceren (poëzie en proza). Daar kon de Franstalige elite niets van zeggen, zeker niet nadat alle politiek en diplomatiek tumult over was. Zulk een groot risico was het blijkbaar niet, want Hendrik Conscience en Guido Gezelle publiceerden hun werk. En trouwens, heeft deze episode in de Belgische geschiedenis nog wel veel uitstaans met de huidige problemen?

We worden niet meer gediscrimineerd, maar we zijn de uitspraken van bijvoorbeeld Rogier nog niet vergeten en daarin ligt volgens mij het probleem. Het is alsof we ze niet willen vergeten en blijven constant leven met het idee dat de boze Franstaligen aan de andere kant van de taalgrens ons willen zien Frans spreken. Dat is een perceptie die niet klopt. We hebben het Frans stukje bij beetje teruggedrongen en hebben nu een punt bereikt waar we onze eigen cultuur (cultuur, eventuele gebruiken) kunnen vieren zonder erop aangekeken te worden. Wat is dan toch het probleem in de faciliteitengemeenten?

Het bevreemdt me dat we zo bang zijn van de Franstaligen die er wonen. We willen dat ze hun documenten in het Frans alsmaar weer aanvragen (waarmee we onszelf opzadelen met meer werk) en we laten hen maar één keer in de week toe om in het Frans bediend te worden (in Tervuren is dit het geval, door nota bene dezelfde bediende die er altijd zit). Volgens Rousseau waren het de gebruiken die een volk een identiteit als “volk” geven. Dus wat maakt die mensen Waals? Hun gebruiken, als er al specifieke Waalse gebruiken zijn die totaal verschillend zijn van de Vlaamse. Waar zijn wij Vlamingen bedreigd in onze identiteit als we de modale Waal zijn administratie laten in het Frans afhandelen? Niet lijkt mij. Maar, als de meerderheid nu Franstalig is in zo een gemeente? Franstaligen in de meerderheid in de gemeenteraad, Franstaligen in het stadhuis, Franstalige voorstellingen in het cultuurhuis enz. Dat maakt de Vlamingen in die gemeente niet minder Vlaams. Zolang de faciliteitengemeenten bij het Vlaams Gewest horen, zullen Vlamingen kunnen/moeten bediend worden in het Nederlands, zullen ze kunnen/moeten hun rechtsgedingen voeren in het Nederlands, zullen ze mogen cultuurvoorstellingen houden in het Nederlands. Zelfs als de meerderheid van de mensen in de gemeente Franstalig is. De meerderheid verandert niets aan de wet. Dat is het verschil met de tijd van voor de federalisering, want indien er meer Franstaligen waren, verfranste het hele boeltje omdat er geen enkele wettelijke bepaling was die verbood dingen in het Frans te doen. Als de vraag slinkt, slinkt het aanbod natuurlijk ook. Maar wat deden die Vlamingen dan die in een Franstalige gemeente woonden: ze spraken Frans en gaven het uiteindelijk op van Nederlands tegen hun kinderen/kleinkinderen te spreken. Daar ligt volgens mij het echte probleem. Aan de andere kant is het verbieden van scholen in een andere taal en verenigingen in een andere taal geen goede oplossing, want wat gebeurt er dan? In deze tijd van vervoer, rijden ze gewoon over de grens. Nederlandstalige kinderen in Franstalige gemeenten net over de taalgrens als Beauvechain bij Leuven, gaan naar school in de Nederlandstalige gemeente en blijven ten hoogste in de gemeenteschool tot ze moeten leren lezen. Franstaligen die een Frans toneelstuk willen zien, rijden naar Brussel. Dus ieder blijft wonen waar hij woont en viert zijn taal ergens anders. Is er dan een verschil? Ja en nee. Nee, omdat mensen blijven Nederlands of Frans spreken thuis en dus niet Waal of Vlaming worden. Ja, omdat diezelfde mensen die anders met elkaar in contact zouden komen en een gemeenschap vormen, dit nu niet langer doen omdat ze alleen in een gemeente wonen. Dit is een probleem, zeker rond Brussel, dat geregeld eens aangesneden wordt: mensen kennen elkaar niet meer en vormen geen echte gemeenschap. Als dusdanig kunnen we ook niet van hen verlangen dat ze bij de verkiezingen stemmen voor hun gemeente. Ze zullen dan eerder politieke keuzes maken en als dusdanig zet het communautaire probleem zich zelfs door op gemeenteraadsvlak, wat niet het geval zou mogen zijn.

Vlamingen showen graag met hun taalkennis. Mijn man, Engelssprekend zijnde, heeft dat altijd gefrustreerd: hij wou Nederlands leren, maar iedereen wilde mordicus Engels spreken tegen hem. Vlamingen halen zelfs gebrekkig Duits boven als ze willen, of de gekste talen als er maar een reden voor is. Het is ironisch dat mijn Franstalige studenten vaak kwamen met de klacht dat Vlamingen Frans spraken tegen hen en zelfs hen niet wilden de tijd laten om een Nederlandse zin te vormen. En deze mensen konden zich min of meer verstaanbaar maken. Het ging zelfs niet om studenten die een niveau 0 hadden. 90% van mijn studenten kwam met dit argument waarom hun Nederlands niet goed vooruitging. Ikzelf heb mogen genieten van het geduld van mijn Franstalige collega’s. Bij het begin van mijn job bij Xerox in Zaventem kon ik nauwelijks vijf woorden Frans na elkaar zeggen. Niet omdat ik nooit Frans had geleerd, maar omdat ik nooit Frans had leren spreken. Ik had dus wel de woordenschat, maar actief, snel spreken vergt oefening, en dat had ik niet gehad. Hadden mijn Franstalige collega’s nooit het geduld gehad van de luisteren naar mijn abominabel Frans, ik zou het nooit leren spreken hebben. En het was niet dat die mensen geen Nederlands spraken. De meesten spraken het heel goed.

Als we Verlooy er opnieuw bijnemen dan kunnen we concluderen dat Vlamigen al langer minachtend zijn over hun eigen taal. Daarom etaleren ze graag dat ze andere talen kunnen spreken. Maar hierdoor schaden ze wel hun eigen identiteit. Hierdoor zijn er ongelooflijk veel oorspronkelijk Vlaamse families die nu als Franstaligen geëindigd zijn. Hier is geen enkele aanwijsbare reden voor (zeker niet op één generatie) tenzij Vlamingen zelf beslisten Frans te spreken. En daarover komt de frustratie al boven voor generaties lang.

Recent ben ik naar Duitsland verhuisd en als buitenlander spreek ik natuurlijk geen perfect Duits. Mijn buurvrouw en haar man kunnen Engels, in tegenstelling tot andere buren, maar zij hebben nooit een woord Engels tegen ons gesproken, alhoewel ik er soms lang over doe. Als ik als buitenlander in Vlaanderen was gaan wonen, was ik nog altijd op mijn beginniveau geweest. Mijn Engelse familie had geen keuze, want zij spreken niets dan Engels…

Deze valse bescheidenheid komt ook tot uiting i.v.m. de Taalunie en de structuur van het Nederlands zelf. Omdat we in een unie zitten met Nederland, moeten de Nederlanders als taalgenoten natuurlijk ook hun zeg hebben, maar we hebben ons als Vlaming het Nederlandse “jij” laten opleggen en ook het Nederlandse “een”. Waar Vlaamse kinderen nog het verschil kennen tussen mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, wordt op Vlaamse scholen hen aangeleerd dat we alleen in het woordenboek kunnen kijken om dit te weten te komen. Wat niet waar is. Een Vlaams kind duidt een stoel aan met “ne”, een tafel met “’n” en een kind met “e” en daarom weet het dat “stoel” mannelijk is, “tafel” vrouwelijk en “kind” onzijdig. De Nederlanders verwijzen consequent met “hij” naar “tafel”! Alhoewel dit duidelijk verkeerd is, wordt in het Groene Boekje hier niet over gerept en hebben alle woorden nu het label een “de-“ of “het-woord” te zijn, niet mannelijk of vrouwelijk, wat “de” impliceert. Verder worden woorden die vooral in Vlaanderen gebruikt worden in het Van Dale-woordenboek aangeduid met “Zuid-Nederlands” terwijl woorden zoals “nou” en “hartstikke” niet worden gelabeld. Vlamingen laten zich dus continu een rad voor ogen draaien, en lopen achter op de problemen. We kampen nog altijd tegen het Frans terwijl we daar politiek gezien niets meer van moeten vrezen, maar we laten de Nederlanders vrolijk onze taal “veklooien” om een lelijk woord te gebruiken of laten hen ons dingen opleggen zoals bijvoorbeeld “gij” dat door iedereen, 6 miljoen mensen, gekend is, maar volgens de Taalunie “een archaïsme” is, alleen gebruikt in de Bijbel, en, oh ja, door die mensen in het Zuiden. Bovendien beginnen alsmaar meer Vlaamse ouders hun kinderen op te voeden in het SN. “Heb jij dat gedaan?” en “Dat is een boek.” Nee, het is “Hebt gij dat gedaan?” en “Dat is nen boek.” Er is een tijd en een plaats voor alles. Niets belet dat kind van “een” te schrijven en misschien te zeggen op een sollicitatiegesprek en thuis Tussentaal (want zo wordt die Vlaamse versie van SN genoemd) te spreken.

Hetzelfde gebeurt met dialect. Het is niet omdat radio, tv en geschreven Nederlands uniform moet zijn, dat we nu opeens ook zo moeten praten. In Engeland heeft men ook vragen bij de rol die de BBC speelt in het afleren van dialect, maar dialect wordt nog veel meer gesproken. Ook regionale accenten vormen geen probleem op de BBC, in tegenstelling tot op de VRT waar een Antwerps accent al te veel is (Ruud Hendricks). Een mooi voorbeeld van een taal die opgewaardeerd wordt en is is het Welsh. Tijdens de 19e eeuw slonken de aantallen aan Welshsprekers door de komst van immigranten van Engeland. Zij leerden bijna nooit Welsh en de Welsh spraken dan maar Engels, wat allereerst voor tweetaligheid zorgde maar gradueel overging in eentaligheid Engels (waar hebben we deze situatie nog gezien?). In 1967 pas werd er toegelaten dat Welsh een officiële taal werd, terwijl in Vaanderen het Nederlands al langer van kracht was als officiële taal. Nu nog is er de meerderheid in Wales die geen Welsh spreekt, maar niemand schijnt dat erg te vinden. Hoewel, zij hebben altijd hun taal nog gesproken en het Welsh is nog altijd springlevend. In Wales is er nog altijd Engels als officiële taal, ook in het deel waar de meerderheid nog Welsh spreekt. Dus waarom hebben zij geen last van dat vijandige Engels terwijl de Vlamingen constant kampen met het Frans? Het is natuurlijk zo dat de Welsh nooit in een culturele woestijn zijn geraakt, niet zoals de Vlamingen. Zij gingen door met het publiceren van werken in het Welsh (dan vooral poëzie) en met het zingen van Welshe liederen. Vlamingen gingen dan wel door met het zingen van Vlaamse liedjes, maar niet met het bedrijven van cultuur als literatuur, theater enz. En waarom? De intellectuele klasse die Nederlands sprak vond dat niet staan en ging liever voor het Frans. Zo is het dus te begrijpen dat mensen als Maurice Maeterlinck, een Vlaming, de Nobelprijs literatuur kregen, maar voor werk geschreven in het Frans. En dat zien we nu ook met dialect en het Standaard Nederlands. Geen poëzie in het dialect, geen tv-programma’s in het dialect, alles in het SN. Alleen in de twee Vlaanderens en in Limburg wordt nog serieus dialect gesproken. Het is vreemd dat het Genks het nog heeft overleefd, en dat zonder de Noord-Afrikanen en de Italianen eruit te schoppen. In West- en Oost-Vlaanderen is men er ook in geslaagd van dialect te blijven spreken, maar in Vlaams-Brabant is het op sterven na dood. Wie naar Brugge gaat, weet het wel: verstaat u geen Brugs, dan heeft u pech. Zelfs als ze naar Leuven komen om te studeren, vragen ze zich af waarom niemand hen verstaat, al komt dat wel goed na en aantal weken of maanden daar. En er is zelfs een Wikipedia-encyclopedie in het West-Vloms. Zij, in tegenstelling tot anderen, maken geen uitzondering voor een buitenlanden: “U komt in Brugge wonen, u zult ons verstaan. Dat u ons in het begin niet verstaat, is uw probleem.”

Van deze instelling kunnen Vlamingen in het algemeen nog wat leren. Als we niet langer het normaal vinden van immigranten bij voorkeur in hun eigen taal aan te spreken in het begin, dan zorgt dat ook niet voor het welbekende probleem later: “Waarom kunt u na 20 jaar nu nog altijd geen Nederlands.” Een mens moet willen, maar moet ook kunnen. Als hij niet oefent, kan hij moeilijk leren. Aan de andere kant zal dat beetje Franstaligen niet opeens Vlaams worden door Nederlands te spreken of zal de rest van die Vlamingen in de randgemeenten rond Brussel niet opeens Franstalig worden omdat de meerderheid in de gemeente Franstalig is. Ik word niet Duits omdat ik nu opeens Duits spreek in Duitsland. Een mens wordt alleen anderssprekend als hij vrijwillig een andere taal begint te spreken thuis, tegen zijn kinderen enz. Ik ben er mij bewust van dat, als mijn kinderen hier opgroeien en met een Duitse(r) trouwen, ze hoogstwaarschijnlijk niet meer Nederlands tegen hun kinderen zullen spreken. Engels misschien wel omdat dat nuttig is, maar Nederlands niet. Hetzelfde moet gebeuren in de tweede generatie met Vlamingen die verhuisd zijn naar Wallonië: welk kind van Vlaamse ouders gaat nog consequent Nederlands spreken tegen zijn kinderen als hij/zijzelf getrouwd is ook met een Waal? Maar zelfs dan verandert dat kleine beetje Nederlandstaligen dat Franssprekend wordt, niets aan het volk “Vlamingen” (dat deel van de Belgen dat Nederlands spreekt). Het feit dat men in de minderheid is, wil niet zeggen dat men dan ook zijn eigenheid verliest: er is een streek rond Berlijn waar nog altijd (na honderden jaren) iets als Nederlands wordt gesproken (Flamingisch), er is een Welshe gemeenschap in Argentinië, in Suriname wordt nog altijd Nederlands gesproken. Het is onze eigen verantwoordelijkheid of we een gebied laten verfransen of niet, niet de verantwoordelijkheid van de immigranten, of die nu Franstalig of Berbers zijn.

Het is een probleem dat al langer aansleept, de Vlaming die zijn eigen taal ziet als minderwaardig. Eerst was het Frans, dan was het SN. Er moet dringend iets aan die Vlaamse instelling gebeuren, want de frustratie is duidelijk merkbaar in onze instelling tegenover Franstaligen. Die mensen willen, maar kunnen niet omdat we met zijn allen weigeren geduld te hebben tot die mensen Nederlands kunnen, serieus om hun belastingsbrief in te vullen. Zelf vragen we niet om faciliteiten in gemeenten zoals Beauvechain. “Niet aan gedacht.” Maar dan veronderstellen we wel, als dat argument eens naar boven komt, dat dat dan wel weer zou geweigerd worden door de Franstaligen. De jongere generatie Vlamingen vraagt zich niet meer af wat Rogier heeft gezegd of wat Kardinaal Mercier heeft laten uitschijnen, maar Franstligen vragen zich dat evenmin af. Elk heeft zijn eigen taal, dat is fijn, laten we dan elk een duidelijke administratie opstellen in die eigen taal en niet langer verlangen dat we elkaars werk doen. Dan moeten Franstaligen geen Nederlandse dingen meer doen en Nederlandstaligen geen Franse dingen. Of we moeten allemaal perfect de twee talen spreken, maar dat vergt een federaal onderwijs en niet een gewestelijk. Alleen door eenheid kan zulk een toestand afgedwongen worden. Als elk gewest zijn eigen eindtermen kan bepalen, dan komt er een ongelijke toestand zoals nu het geval is en zoals eigenlijk ook al in de 19e eeuw het geval was, maar nu door de Vlaamse arrogantie.

Het is tijd dat we zand gooien over het verleden en met elkaar naar de toekomst kijken, alleen zo zullen we een consensus bereiken zonder compromis, een consensus die goed is en geen Belgisch lapmiddel. Het is door het gebrek aan vertrouwen dat Vlamingen en Walen nooit kunnen overeenkomen iets te doen. Vlamingen denken dat Walen niet willen en Walen denken dat Vlamingen separatisten zijn en dat toegeven toch geen zin heeft want dat het uiteindelijk toch leidt tot onafhankelijkheid. Als we dan het debat uit de politiek halen, die toch moet dienen om stemmen te houden en te krijgen, dan zouden we misschien ergens raken. Als de Vlamingen dan toch zo gebrand zijn op onafhankelijkheid, zouden ze niet moeten treuzelen en zichzelf onafhankelijk verklaren. Ikzelf zou dat niet doen, want groter is beter, in alle omstandigheden. Als we willen samen blijven, dan moet Brussel of de Duitse Gemeenschap een grotere stem krijgen, want federalisme met twee ontaardt altijd in een discussie over splitsing (o.a. Leo Tindemans). Vermits Brussel ook binnen het communautaire zit, is het misschien wijs van de efficiënte Duitsers erbij te halen. Zij zulle het probleem bekijken op een nuchtere en neutrale manier, want zij hebben niets te maken met de communautaire rimram.

Het is tijd voor een grote hervorming in België, maar een permanente hervorming die duurzaam is. Ze is nodig om frustraties te vermijden en ook om te vermijden dat we in een Tsjecho-Slowaakse situatie verzeilen. Vele separatisten halen Tsjecho-Slowakije aan als voorbeeld voor België met hun fluwelen revolutie, maar weten ze ook wat er is gebeurd, toen? Het ironische aan heel de zaak is dat noch de Tsjechen, noch de Slowaken echt wilden splitsen en dat noch de Tsjechen, noch de Slowaken er nu positief tegenover staan. Zoals Tindemans zei in een artikel een aantal maanden geleden in De Standaard leidt federalisme met twee altijd tot een discours over splitsing. Dit was niet minder waar met Tsjecho-Slowakije. Toen twee leidende rechtse politici moesten onderhandelen over een regering, kwamen ze er niet uit, zoals Leterme er niet uitkwam. Ze hebben toen de handdoek in de ring gegooid en samen beslist van liefdevol uit elkaar te gaan, maar geen van beiden vond dat echt een goede oplossing en beide bevolkingen stonden voor het voldongen feit dat ze nu Tsjech of Slowaak waren. Ze stonden niet achter hun eigen onafhankelijkheid, niet zoals de Kosovaren achter de hunne staan (wat Servië daar ook moge van vinden). Dit is nu ook het geval in België. De meeste Vlamingen willen wel een staatshervorming omdat de staat België een puinhoop is, maar willen Vlaanderen niet onafhankelijk zien. Wat andere luidere stemmen ook mogen beweren.

Daarom zou ik zeggen:

Roep een nieuw grondwetgevend congres samen van academici: politicologen, sociologen en leidende politici zoals Eyskens, Tindemans, Dehaene (kortom de oude krokodillen) en laat hen de staat België opnieuw uittekenen. Vraag desnoods de Zwitsers om hulp, maar hou vooral de politici die stemmen moeten halen erbuiten, want zij zijn vooral bezig met hun populariteit. Dit probleem gaat niet over populariteit, maar over geld (het doodbloeden van de sociale zekerheid, de begroting van de Belgische Staat die wordt ondermijnd door het communautair debat (Vlaanderen dat de federale staat niets meer wil geven dan een evenwicht), een chaotisch kluwen van bevoegdheden (kankerpreventie zit bij de Gewesten terwijl behandeling in de sociale zekerheid op federaal niveau zit), om nog niet te spreken van het overaantal aan ministers en parlementsleden dat allemaal moet betaald worden door de burger) en over een maatschappij die dringend aan herziening toe is. Hoe kan men een pluralistische maatschappij prediken terwijl men nog niet eens zich kan verstaan met een Waal, die nota bene zelfs Belg is?

Bibliografie:
Onder redactie van M.A. Schenkeveld- van der Dussen, Nederlandse Literatuur, een Geschiedenis, Uitgeverij Compact, 1998, ps 383-388
Wikipedia
Knack
De Standaard

Saturday, 20 June 2009

Wat is er mis met Vlaamse comedy?

Naar aanleiding van het vertrek van FC De Kampioenen, is er een debat losgebarsten over wat er nu voor in de plaats moet komen. In De Standaard, zei een journalist het vandaag zo: “Met De boerenkrijg wilde men een onderwerp uit de vaderlandse geschiedenis nemen, als een soort Vlaamse tegenhanger van 'Allo 'Allo, maar dan koos men een periode waar bijna niemand nog iets over weet. 'Black Adder daarentegen grijpt terug naar de grote periodes in de Britse geschiedenis, die nagenoeg elke Brit nog kent', stelt Thielemans.” Wat is er nu zo goed aan Britse comedy dat we missen in Vlaamse comedy?

In mijn idee is het niet zozeer herkenning dat een rol speelt. Het onderwerp van The Black Adder is dan weliswaar een man in een historische periode, maar dat is niet zozeer van belang. Een tweede zoon van een kroonprins die de nek van de koning, per ongeluk, omwringt was nog maar het uitgangspunt. De rest van de serie concentreerde zich rond het feit dat Prince Edmund zichzelf vooral koning wilde zien. Iets dat natuurlijk zijn vader, noch zijn broer, noch zijn moeder een normaliteit vonden. De serie op zichzelf was erg gebaseerd op Shakespeares toneelstukken. De naam van Edmund alleen al roept referenties op van King Lear. Maar Macbeth bijvoorbeeld zit er ook in, en niet alleen in de zin van de “rise to power”, maar ook in concrete situaties zoals de drie heksen. The Black Adder was vooral grappig omdat de prins zelf een looser was en zijn hulpjes eigenlijk nog de slimste waren.

Blackadder II ging dan over edelman Edmund Blackadder en maakte een breuk met The Black Adder in de zin dat Blackadder zelf nu duidelijk de meest intelligente was. Het was een verandering die noodzakelijk was voor de comedy-waarde, zo beslisten de schrijvers. De Shakespeariaanse referenties gaan verder met zinnen als “hey, nonny nonny” en personages als Bob die een meisje in jongensvermomming is, een knipoog naar de vrouwelijke rollen in Elizabethaans toneel die werden gespeeld door onvolwassen jongens. Maar het is niet alleen de legendarische domheid van Baldrick en de naïviteit van Lord Percy Percy die een rol spelen als schril contrast tegen de superieure intelligentie van Edmund, het is het continue belang dat Edmund Balckadder heeft bij het tevreden stellen van Elizabeth I die nog een tienermeisje blijkt te zijn en die nogal snel iemands hoofd eraf wil zien. Ze beledigt ongestoord de mensen, verlangt dat ze kruipen omdat zij nu eenmaal de koningin is, verwacht dat ze haar bezighouden met interessante verhalen, gaat zelfs zo ver van weddenschappen af te sluiten en dan Blackadder er te laten voor betalen. Als ze haar zin niet krijgt, dreigt ze er steevast mee hun hoofd te laten afhakken. Voor een edelman is het belangrijk dat hij goed staat aan het hof. Vandaar dus het tegenstrijdige belang voor Blackadder van als een marionet voor de koningin te dansen, die hij in het geheim minacht. Niet minder zielig en belachelijk is Stephen Frye in zijn rol als Melchett of “Melchy” zoals Elizabeth hem noemt. Hij kruipt voor zijn koningin, of is misschien al even weinig ontwikkeld als zijzelf.

Blackadder III zet Backadder in een nog meer ondergeschikte positie tot een nog ergere sukkel: butler bij Prince Regent George. De zoon van een gekke vader, moet ook wel gek zijn, zo zullen de scenaristen gedacht hebben. Ze maakten hem een ultradomme man die alleen feest en sokken koopt omdat ze continu verdwijnen. Blackadder, daarentegen, doet toch zijn voordeel als elke butler en drijft een handeltje in diezelfde sokken en laat ook graag zijn minachting blijken, dan vooral in de keuken. De Shakespeariaanse referenties zijn hier ook al niet ver te zoeken met de vloek rond Macbeth. Maar het is niet dat wat zo direct het comedy-element is. Het is de zieligheid van gefrustreerde Blackadder die uit die ondergeschikte situatie wil. Hij gebruikt nu voor het eerst de riemen die hij heeft om te roeien: troggelt zijn baas geld af, keert zelfs één keer de rollen om, manipuleert zijn baas en maakt hem continu belachelijk, iets waar Prince George duidelijk geen last van heeft want hij merkt het niet. Toch wil Blackadder heel graag uit die situatie, maar dat lukt hem niet. Het is dezelfde uitzichtloze situatie waarin Basil Fawlty zich bevindt. In een aantal historische situaties wordt dat concept uitgespeeld.

Blackadder goes forth is de ultieme comedy: een onveranderde situatie in elke keer dezelfde set. De serie speelt grotendeels in de loopgraven. Eén keer gaat ze weg naar het ziekenhuis, maar daar blijft de situatie ook hetzelfde. Altijd dezelfde vijf personages in twee groepen: drie in de loopgraven (Captain Balckadder, Lieutenant George en Private Baldrick) en twee in een kasteel comfortabel achter de frontlinie (Captain Darling en zijn baas General Melchett). De eerste episodes concentreren zich vooral in de loopgraven en geven de verveling weer van zulk leven en vooral de wens van Blackadder, een doorgewinterd soldaat, om eruit te raken. Hij probeert alles, maar het gaat verkeerd. Niet alleen dit concept, de frustratie van Edmund, maakt de serie zo leuk, maar ook de woordspelingen en onverwachte uitbreidingen waarop dit soort comedy zich vooral baseert. Bij gebrek aan leuke situaties zoals ze zich voordoen in ‘Allo ‘Allo! moet er iets anders in de plaats komen. Baldrick die zijn naam op een kogel probeert te kerven “omdat er ergens wel een kogel is met je naam op” (de kogel die je dood betekent m.a.w.). "Rat sauté"/"Rat fricassé"/"Rat au van” zijn goede voorbeelden van hoe een historisch gegeven (het eten van ratten in dit geval) wordt uitgebreid naar een grap (“rat run over by a van”). Of het concept koffie dat werd uitgebreid tot het bedienen van Captain Darling met koffie gemaakt van modder met suiker van haarschilfertjes, melk van kattenkots, schuim van speeksel en misschien nog cacao? Verder gaat de plot ook over het vermijden van de Big Push (de grote aanval) die Blackadder koste wat het kost wil vermijden. Hier ook weer het tegenstrijdig belang: Blackadder commanding officer is totaal niet van plan zijn orders uit te voeren en maakt geen geheim van zijn minachting voor Veldmaarschalk Haig die zveel mannen nutteloos de dood heeft ingejaagd. Daarenboven is slimme en sarcastische Blackadder nog eens 24u/24 opgezadeld met twee naïevelingen die de echtedraagwijdte van de oorlog en hun eigen lot niet schijnen door te hebben, en is hij jaloers op Darling die een comfortabele bureaujob heeft alhoewel hij hem niet daarvoor zo minacht (alleen cissy in het leger doet zulk een job).

Voor zover ik mij herinner ging De Boerenkrijg helemaal niet zo ver. Het is niet zozeer dat de mensen niet meer weten wanneer die Boerenkrijg zich afspeelde (1798), zeker niet als er Napoleontische soldaten op de scene zijn, het is eerder dat het potentiële comedy-element van Franse soldaten die gewoon rust willen en geen last, de hoogste officier die daar anders over denkt, de boerenbevolking die natuurlijk achter de vadsige Franse soldaten staat maar stiekem toch niet, de boerenmeisjes die noodzakelijkerwijs mooie Fransmannen zien, de plaatselijke adel die zich bedreigd voelt enz. niet uitgewerkt is. Het is het gebrek aan intrige en snelheid dat zulk een serie de das omdoet. Als er geen ontwikkeling is van in het begin (de komst van de Fransen) dan is er ook geen interessante wijdere plot die het initiële comedy-niveau van een lachwekkende situatie overstijgt.

‘Allo ‘Allo! heeft dat wel. Er was een duidelijke ontwikkeling van de eerste aflevering tot de laatste. Terwijl de plot van een aflevering draait om het laten ontsnappen van de British Airmen, zoals een aflevering van FC De Kampioenen draait rond een misverstand of iedereen tegen DDT, weet elke kijker dat het weer verkeerd zal gaan, zoals elke FC De Kampioenen-kijker weet dat DDT het onderspit zal delven of dat Carmen het weer verkeerd heeft begrepen. Waar het bij De Kampioenen stopt, gaat het echter verder bij ‘Allo ‘Allo!. De steevaste cock-up van het verzet is nooit de enige mop. Geleidelijk aan wordt de wijdere plot afgewikkeld: “The Fallen Madonna (with the big Boobies) by Van Klomp” heeft eerst twee kandidaat-eigenaars. Renée die het wil om te verkopen en de Duitsers die het hebben in beslag genomen en die het zelf willen voor na de oorlog. Als Hitler er lucht van krijgt, wil hij het ook hebben en stuurt de Gestapo (Herr Flick) om het te bemachtigen. Herr Flick wil het natuurlijk voor zichzelf houden en beslist van Hitler te bedriegen en hem een vervalsing te sturen. Bovendien wil het verzet ook een deel van het geld. Om te vermijden dat René er het leven bij inschiet en niets van het geld ziet, wordt er van in het begin een plan bedacht: één vervalsing en één echt schilderij. Van het moment dat Herr Flick ook interesse toont, komen er dus nog twee vervalsingen bij. Uiteindelijk zullen er vijf vervalsingen zijn en 1 echt schilderij. Het feit dat het verzet René onder druk zet en Gruber een oogje heeft op René maken de zaak er niet simpeler op, want iedereen heeft wel een belang dat niet strookt met de plannen van General von Klinkerhoffen of van de Gestapo, of van het verzet. Iedereen werkt dus uiteindelijk elkaar tegen en raakt verstrikt in een web van problemen zodat op een gegeven moment ze dingen moeten doen waardoor ze eigenlijk hun eigen kamp gaan tegenwerken (zoals het verzet dat de Duitsers uit een krijgsgevangenenkamp voor Britten gaat bevrijden omdat ze er anders mee dreigen René te arresteren, of de Duitsers die Renés escapades over het hoofd zien omdat ze graag in Renés café komen).

De situaties in ‘Allo ‘Allo! zijn ook zeer erg doorgedreven, zoals in Fawlty Towers. Niets is te gek. Moest het verzet zo te werk zijn gegaan, het Duitse leger had hen snel ontdenkt. Moest een hoteleigenaar zo te werk gaan, zijn hotel zou snel leeglopen (alhoewel de serie wel gebaseerd was op een hotel aan de Engelse kust), maar dat is nu net wat het minder realistisch en grappiger maakt.

Woordspelingen zijn hier ook niet ver af. Arthur Bostrom in zijn rol als Secret Agent Crabtree is een mooi staaltje dubbelzinnige woordspeling. Zijn zogezegd slechte Frans verschuilt een schat aan dubbelzinnigheden. “Good moaning” is niet alleen een verbasterd “Good morning” (met een gevocaliseerde r “mo-ning”), maar verschuilt ook het woord moaning als “zeuren”. Regelmatig spreekt hij van “pissing” (i.p.v. “passing”) wat refereert naar urineren. “I pissed your ciffy”. "I heard a shat" verschuilt "shat" als de OVT van het werkwoord "shit" dat niet alleen een "onbeleefd" woord is, maar dat ook nog eens zoiets al "kakken" betekent. Dit is een concept dat totaal los staat van de situatie, maar dat op zich fantastisch grappig is. Het is an sich niet grappig dat hij elke keer “good moaning” zegt als hij binnenkomt, maar het maakt de weg vrij voor zijn optreden en bereidt de kijker voor op weer een dubbelzinnigheid. De kijker lacht al bij de gedachte alleen en dat is waarom al na zijn eerste optreden, iedereen de volgende morgen op het bureau aankwam en “good moaning” wenste aan iedereen.

Maar de woordspelingen beperken zich niet tot Crabtree alleen. Ze bevinden zich ook, dan meer van seksuele aard, in andere situaties. Als Herr Flick in seizoen zes in zijn ondergoed, na een mislukt complot waarbij hij zich had vermomd, bij Helga binnenwandelt met een grote bal om zijn enkel in afwachting van een ondervraging door Colonel von Strohm, vraagt Helga hem: “Would you like to rest it on the desk?” (“Zou u het graag op het bureau laten rusten?”) De it heeft duidelijk voor het publiek niet alleen een praktische connotatie als verwijzend naar de bal om Flicks enkel, maar ook een seksuele connotatie vermits Herr Flick en Helga ooit een koppel zijn geweest. De grap wordt afgerond met Van Smallhausen die binnenwandelt met een kleine kogel aan zijn enkel en de vraag: “Why does he have a small one?” (“Waarom heeft hij een kleintje?”) Zo is er ook Bertorelli die op een bepaald moment een cadeautje voor Helga bij zich heeft. Hij heeft een gedichtje gemaakt en impliceert een rijm met titties (tietjes), naar Helga’s boezem kijkend. Alhoewel hij dit niet expliciet zegt (wat te vulgair is voor de BBC), heeft het publiek dit duidelijk door en maakt Helga hem duidelijk dat hij daar niet aan moet denken. Niet dat dat in zijn gedichtje stond, natuurlijk, maar ondertussen heeft iedereen er wel aan gedacht. Ook “the back passage” van René is erg populair.

Fawlty Towers is dan van een totaal andere orde. Er is niet zozeer sprake van referenties, intrige of woordspeling, nee, gewoon situationele comedy gone mad. In John Cleese eigen woorden was de zieligheid van Basil Fawlty de grootste verdienste van de serie. Humor en verdriet liggen erg dicht bij elkaar en de situaties waarin Basil verzeild zijn voor hemzelf vrij pijnlijk te noemen, maar voor het publiek grappig omdat ze anders afgebeeld worden. De situaties die zich afspelen in dat hotel zijn niet meer realistisch, maar daarom zijn ze net zo grappig. De uitgangssituaties zijn doorgaans gewoon, maar het is de overdreven reactie van Basil die de situatie meestal nodeloos verergerd. De legendarische uitspraak “Don’t mention the war” ("Spreek niet over de oorlog.") als er Duitsers op komst zijn, start een situatie waarin de vooroordelen van Fawlty naar Duitsers duidelijk op de voorgrond komen. Als hij denkt dat er een ongetrouwd koppel samen een kamer heeft, bespioneert hij ze enz.

Het is dus niet wat er aan het begin van een serie is (de uitgangssituatie) die belang heeft. Herkenning… Blackadder herkent niemand, want het is een totaal fictief personage, alhoewel zijn frustratie wel medelijden opwekt. Elizabeth I is nooit zo afgebeeld. Ze werd eerder afgebeeld als een sterke vrouw, maar haar rol als “vervelende tiener die alles te zeggen heeft” (of de onrechtvaardigheid ervan) werkt wel verrassend. Ditzelfde thema herhaalt zich in de derde serie waar Prince George een groot Baldrick-gehalte heeft. Enig verschil is natuurlijk, dat Baldrick mag worden afgeblaft van tijd tot tijd, maar dat dat bij een prins natuurlijk niet past... Alleen als de rollen omgedraaid zijn. In die zin werkt FC De Kampioen misschien wel herkennend, maar meelijwekkend? Nee. De enige die nog medelijden opeiste was Oscar: hij had een vrouw en een dochter die niet naar hem luisterden en een voetbalploeg al van hetzelfde en hij wilde het toch zo graag zo goed doen… Toen hij vertrok was er geen enkele figuur in de serie meer die sympathie opwekte bij de kijker. DDT, Bernard T Waterslaeghers en Fernand wekken niet genoeg medelijden op en zijn eerder de vijand. Een potentieel zeer goed comedy-personage zoals DDT met een tirannieke moeder en een spraakgebrek die koste wat het kst beter wil worden dan Van Roost, maa die jammer genoeg er de kenis net voor heeft, wordt gebombardeerd tot vijand waardoor hij de helft van zijn comedy-waarde verliest. Het probleem is ook grotendeels dat er in de serie geen enkel hoofdpersonage is. Alle personages zijn even belangrijk, waardoor een groot potentieel verloren gaat. Toegeven, ‘Allo ‘Allo! had een grote cast, maar het grootste deel daarvan had maar één of twee verschijningen in een aflevering. René begon altijd een aflevering met een samenvatting van wat er gebeurd was en daarna begon het verhaal, Crabtree kwam één keer iets zeggen, Michelle kwam ook één/twee keer, Edith moest één keer zingen en voor de rest werd het verhaal afgewikkeld, met de moeder die één keer moest roepen: “Will nobody ‘ear ze cries of an old woman!” ("Hoort hier niemand het geschreeuw van een arme oude vrouw?!") en René die één keer moest Ivette omhelzen en moest ontdenkt worden door Edith. René was hier weldegelijk duidelijk de hoofdfiguur. De plot draaide immers rond hem en zijn café alleen. In FC De Kampioenen draait de plot eigenlijk om wat? Niet om DDT of zijn opvolgers, niet om Pascal en haar café, niet om Pol en Doortje, niet om Boma. De reeks hoofdfiguren is te groot. De plot draait om een (slechte) voetbalploeg, maar de uitgangssituatie is na twintig jaar nog altijd dezelfde: een slechte voetbalploeg bestaande uit mensen, die een sjacheraar in de buurt hebben… In zekere zin is de serie vergelijkbaar met Oh! Doctor Beeching waarin het personeel van een Noord-Engels station in de jaren zestig een nieuwe stationschef Cecil Parkin krijgt, die het station a.h.w. moet redden van sluiting nu Doctor Beeching (legendarisch voor het dramatisch inperken van het steengoede openbaar vervoer in England) een studie maakt. Aanvankelijk wordt het iedereen tegen Parkin, maar geleidelijk aan wordt het Parkin en iedereen tegen Doctor Beeching. Alhoewel de serie nu niet zulk een groot succes was, mede door het feit dat er weinig mogelijke situaties waren waardoor de plot snel uitgeput was (zoals bij FC De Kampioenen), stond het in de traditie van klassieke Britse Comedy in de zin dat woordspelingen en geheimen weer een grote rol speelden. Maar zelfs hier was er een verdoken hoofdpersonage: Parkin zelf. Een man die van bescheiden komaf is, die opgeklommen is tot onderstationschef en die nu, in dit afgelegen station waar hij promotie moet maken, zijn oude liefde tegenkomt van tijdens de oorlog (May). De liefde laait weer op, maar zij is getrouwd en blijkt een dochter te hebben die moet verwekt zijn rond de tijd dat Parkin vertrok… Het is die dynamiek die de serie drijft. Iedereen tegen Parkin vergt dat May, nu serveuse van het stationsbuffet) ook hieraan meedoet, maar zij kan dit niet omdat ze medelijden heeft met Parkin en verdedigd hem contant tot grote verbazing van de anderen. Parkin denkt dat hij de vader van haar dochter is (wat uiteindelijk niet blijkt waar te zijn) en mede daardoor wordt hij opnieuw verliefd op May, met alle gevolgen van dien voor Mays man Jack die ziekelijk jaloers is (waarschijnlijk uit onzekerheid). Jack is stationschef ad interim geweest en voelt zich nu op twee fronten bedreigd door Parkin. Parkin wordt bovendien geminacht door iedereen voor zijn posh-heid en May heeft haar geheim nooit aan iemand verteld.

Fawlty Towers had ook een duidelijk hoofdpersonage, zoals Blackadder. En allemaal hebben ze een duidelijk kleinere cast, of een kleinere regelmatige cast. ‘Allo ‘Allo! heeft dan wel een cast van minstens twintig acteurs, maar gebruikt er maar echt 8 en de rest van de cast vervuld zijn rol als “middel om”: de British Airmen zeggen 1 keer “hello!” en komen eventueel eens terug in een situatie die hen past (oefenen voor het ontsnappen), Michelle komt 1 keer haar plan uit de doeken doen, Crabtree komt 1 keer een “message” geven van Michelle, Mr Alfonse komt ook eens zijn plicht doen, Herr Flick komt onder de duiven van de anderen schieten. Soms hebben ze een grotere rol, soms een kleinere, maar ze zijn “middel om” en verschaffen de kern René, Edith, Ivette en Mimi aan de ene kant, en Colonel von Strohm, Gruber, Bertorelli en Helga aan de andere kant een excuus voor hun bestaan en René in het bijzonder een probleem. Geleidelijk aan wordt de rol van Herr Flick wel groter, maar alleen na een lange tijd als we hem kennen. Hij zal echter nooit zelf een hoofdrol krijgen. In Fawlty Towers zijn het de gasten die de cast een reden van bestaan geven met de problemen die aan hen vasthangen. In Blackadder zijn het niet zozeer gastpersonages die het verhaal maken, maar historische gebeurtenissen (het eerste woordenboek, de vloek rond Macbeth, de verkiezing van William Pitt jr) of grote problemen van alledag (geen geld, verliefdheid op een jongen, spionage). Niets van dit alles speelt bij FC De Kampioenen. Er is niets dat de cast een reden van bestaan geeft, behalve hun eigen misverstanden en wens om hun “vijand” eronder te krijgen.

Het Eiland had ook twee duidelijke personages die medelijden opwekten: Alain en Guido Pallemans en daarna Michel Drets. Alle drie zijn ze meelijwekkend. Maar wat daar dan weer misliep was het feit dat het impliciete conflict dat gecreëerd wordt door het benoemen van een dienstlid tot manager van dezelfde dienst, niet ver genoeg werd uitgebouwd. Het personage van Lydia Protut was dan wel potentieel heel grappig (men vraagt zich af hoe ze ooit zo ver is gekomen), er was nog een ander sterker personage à la Bucky nodig om Pallemans helemaal de gordijnen in te jagen. Als Bucky dan eindelijk op het toneel komt, heeft hij te maken met een Michel Drets die zich makkelijk laat manipuleren en niet genoeg comedy-waarde heeft omdat hij te rustig is. Daardoor werd het einde eerder een drama dan een comedy.
Wat is er dus nodig voor goede Vlaamse comedy?

1 Als een mens drie keer kan kijken en het nog altijd hilarisch kan vinden, dan is het goed. Elke serie die alleen gedragen wordt door de situatie is niet meer leuk eenmaal de kijker weet wat er komt. Woordspeling en dubbelzinnigheid, daarentegen, blijven grappig.

2 Zorg voor een robuste basis met een hoofdpersonage en een aantal sidekicks. Te veel hoofdpersonages scheppen verwarring in het scenario.

3 Wees niet bang voor personages die komen en gaan. Gastpersonages zijn een grote vernieuwer en moeten niet altijd dezelfde zijn.

4 Zorg voor verrassing. De clou is geweest? Niets is minder waar, maak er nog een onverwacht staartje aan, desnoods later in de aflevering, of drijf een uitdrukking in een andere richting waarover de kijker nog niet gedacht had, laat een personage iets onverwachts doen, etc.

5 Zorg voor snelheid. Het probleem vooral met Vlaamse series, of het nu telenovelles zijn of komedies, is dat ze steevast te traag zijn. De spanning van het plan moet er nog zijn op het moment dat het plan in werking treedt. De spanning van het misverstand moet nog vers in het eheugen zitten als de clou eraan komt. Aan het einde van de aflevering mag het begin niet voelen alsof het een halfuur geleden plaats had, het moet maar vijf minuten geleden gebeurd zijn.

6 One-liners zijn goed, maar de comedy mag er niet op steunen.

7 Als er parodieën gemaakt worden, maak ze dan op zichzelf. 'Allo 'Allo! was een parodie op Secret Army, dat in samenweking met de BRT was gemaakt, maar steunt volledig op zichzelf. De kijker moet Secret Army niet gezien hebben om 'Allo 'Allo! te kunnen smaken.

8 Wees niet bang voor serieuze thema’s. Yes (Prime) Minister heeft geen andere plot dan een minister met veel illusies die hervormingen wil doorvoeren en een permanent secretary die die hervormingen niet wil… Maar drie personages: de minister Jim Hacker, Sir Humphry Appleby (permanent secretary) en de ietwat pedante private secretary Bernard Woolley. Thatcher zelf vond de serie zo grappig dat ze de Downing Street-kat die zomaar kwam opdagen op een dag, Humphry heeft genoemd.

9 Niet elk jaar moet een serie hebben en niet elk seizoen moet van dezelfde lengte zijn.

10 Ga vooral niet te lang door, al zijn de kijkcijfers goed. Er is niets zo erg als roemloos ten onder gaan. Er moet altijd nog materiaal over zijn als men stopt. Fawlty Towers heeft twee seizoenen van zes afleveringen gehad, Blackadder vier seizoenen over 9 jaar van zes afleveringen, Yes (Prime) Minister 5, Extras twee, The Office ook twee, Oh! Doctor Beeching ook twee, You rang M’Lord ook twee en Keeping up Appearances 5. ‘Allo ‘Allo! is een uitzondering met zijn 9 seizoenen over tien jaar. Twintig jaar, zoals FC De Kampioenen is dus zeker niet de norm.

11 Ga vooral niet voor een publiekspleaser, of toch niet wat men denkt dat dat is. Compromissen zijn op de BBC nooit gesloten. Wie niet graag kijkt, zet de tv af. Een beetje controverse kan nooit kwaad. Niets is te gek. Goede dingen worden meestal niet door iedereen gesmaakt.

12 Herhaal niet eindeloos. Een herhaling plannen na 2 jaar is veel te vroeg. De mensen moeten de serie vergeten zijn om weer te willen kijken. Herhaal dan ook niet elke zomer. Maak liever iets nieuws.

13 Wees niet bang voor overdreven gekheid. Comedy moet niet realistisch zijn, het moet leuk zijn. Een grap gedaan? Niets is minder waar. Drijf de grap door tot een nog hoger niveau., dat werkt verrassend en men ligt ermee in een deuk.

14 Wees ook niet bang voor parodie en satire. Lach vooral met uzelf. Laat vooral de politiek niet afschrikken, er is daar veel voer voor mooi materiaal en intelligente comedy. Als mensen niet graag intelligente comedy zien, dan zetten ze maar af, er zijn genoeg dvd’s van Gaston en Leo. De tijd van hen is voorbij, laten we nu meer iets maken dat aanleunt bij de moderne generatie die graag naar Fawlty Towers, ‘Allo ‘Allo! en dat soort dingen kijkt.

De Vlaamse comedy is volgens mij blijven hangen bij André Van Duijn en Gaston en Leo. Niets tegen die mensen, maar Gaston en Leo gaan al mee sinds de jaren… zestig (?) en André Van Duijn al sinds de jaren zeventig. Vernieuwing is een must.

Het Eiland was een goede poging, maar was nog niet gek genoeg. De serie had gebrek aan dynamiek omdat er niet genoeg comedy-personages waren. Liesje en Free hadden niet genoeg van dat zielige om goede comedy-personages te zijn. Waarom zitten ze er dan tussen? Ze zouden er moeten tussen gezeten hebben om sympathie op te wekken à la Guido Pallemans (de normalen tussen de gekken), maar dat was niet het geval. Waarom dan zulke personages erbij hebben? Vervang ze door beklaagbare desnoods herkenbare mensen en ziedaar, eureka. The Office waarop Het Eiland duidelijk geïnspireerd was, was veel grappiger omdat alles draaide rond de zielige manager die duidelijk geen erg had in wat er allemaal gebeurde achter zijn rug.

Onthou het VRT: vernedering of beklagenswaardigheid is alles. Als er vernederd wordt of in een moeilijke situatie gebracht wordt, wordt er gelachen. Basil Fawlty wordt vernederd, Blackadder wordt vernederd, René Artois wordt vernederd, Hyacinth Bucket wordt vernederd of vernedert zichzelf, Jim Hacker wordt steevast vernederd door Humphry. Extras was meestal zelfs teenkrullend van de vernedering. Allemaal zijn ze te beklagen. Hoe erger hun zieligheid, hoe erger het publiek lacht. Schadenfreude is nu eenmaal erg aanstekelijk, hoe erg dat ook mag zijn. Gebruik dat, VRT, en maak eens iets goeds.